Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR ’T EERST.

Vader bracht hem.

Met snelle kleine pasjes, naast de groote stappen van vader, nog zich inkortend voor hem, trippelde hij voort; klein, fijn jongetje van vijf, met teer gezichtje, waarin de groote lichtblauwe oogen iets bang-verwachtend uitzagen.

„Het was alles zoo raar nou ■

Met zijn knuistje stevig in vaders hand, voelde hij zich tegelijk schuw en trotsch: nou ging hij ook naar school, nou was ie groot, net als Zus en Bob.

„Hoe vindt Jip ’t nou om naar school te gaan?

„Prettig!” zei hij dapper, maar met dat schuwe erger in zijn oogen.

„Zooals een groote jongen bij al die andere kindertjes!

„Ja-a, ik kan ’t huisje al teekenen van Bob z’n boek, de róók, die ken ik mooi, dan veeg ik erover met me vinger en dan wordt ’t rook....”

„Hier zal je ook wel mogen teekenen.

„De heele ochtend?” weifelde hij.

„Nee, wel wat anders ook

„Maar wat dan?” — angstig voor dat groote onbekende, buiten zijn wereldje tot-nog-toe, dat was geweest: vader, moeder en Bob en Zus en de twee poesen en de tuin —

„Zijn we d’r nou al gauw?

Vaster klemde hij vaders vingers.

„Kijk, daar, naast dat witte huis, waar al die kinderen in gaan, zie je? daar.”

„Oh!”

Ernstig keek hij ernaar. Het was niet zoo héél anders dan een ander huis, maar er waren zooveel kinderen....

„Zoo Jip, nou gaan we erin.

Jip keek onderzoekend om zich heen, terwijl hij voortliep aan vaders hand, tusschen al die vreemde kinderen door.

Sluiten