Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo Jip, ben je daar al! Je bent baast ’t eerst.”

Jip knikte, met zijn hand diep in vaders band; nu keek hij om naar de andere kinderen, naar de juffrouw, triomfantelijk blij, zich weer heel veilig voelend, zoo van hen af, weer bij ’t oude bekende...

„Wel, Jip, hoe was ’t?” vroeg vader, toen ze op straat liepen.

„Goed!” zei hij, toch trotsch dat hij er geweest was, en dat hij ’t er zoo goed had afgebracht.

„En ik heb Kris geteekend, en de poesen, en toen hebben we in den tuin gebald, met zeven jongens, en ik heb op één na gewonnen. En die eene jongen, die had me knikker weggenomen

„Toen heb je toch zeker met hem er om gevochten, hé?”

„Nee,” weifelde Jip stil, „want ’n meisje heeft ’m me teruggegeven, en toen hoefde ’t niet meer ” en haastig van dit geval

afstappend, „’t verhaaltje dat de juffrouw vertelde, dat kon ik

„ja?”

„Ja,” straalde hij, „dat had moeder verteld, van die jongens die bang waren en toen

„Had jij dat zoo goed onthouden? Mocht jij ’t toen verder vertellen?”

Jip schudde zijn hoofd; hij wist ’t nu beter dan vader.

„Nee,” zei hij wijs, „dan moet je toch luisteren tot ’t uit is

„O zoo. Maar Jip vertel me eens, toen je ’n plaatsje mocht uitkiezen, waarom ging je toen daar, vlak naast de deur zitten?

Jips handje kroop dieper in vaders hand, alsof het niet diep genoeg kon.

En zacht, zijn gezicht verlegen omdraaiend, zei hij:

„Omdat ik jou daar ’t langst zien kon —

Stil liepen ze toen samen verder.

Ina Boudier-Bakker.

Uit: Kinderen. Amsterdam, P. N. van Kampen & Zoon.

Sluiten