Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WILGEN.

Daar waren eens zeven wilgen In eene boerenwei,

Die droegen groote pruiken op Hun oude harde houten kop,

En stonden op een rij.

En hunne pruik met haren Die kwam nooit tot bedaren —

Ze knikten al maar: „ja en neen,

Wat dat wou zeggen, wist er geen.

Toen kwame’ er heel veel vogeltjes — Die bouwden daar hun nest,

Die woonden allen paar aan paar,

En leefden leutig met elkaar,

En vonden ’t opperbest.

En ieder zong een liedje —

Van wiede-wiede-wiedje, —

Maar al de wilgen riepen: „Och,

Wat schreeuwen daar die vogels toch!

Toen kwam de wilde wervelwind — Die ziet ze daar zoo staan,

En draait zich driemaal om, en zeit: „Wat s dat nou voor parmantigheid!” En waait zóó op ze aan: —

Eerst deden ze nog deftig,

Sluiten