Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEIDAG IN MAART.

Ik dacht wel, dat zij komen zou lang voor het iemand wist, en hebben we ons niet werkelijk een maand of wat vergist?

Wij dachten ons den winter nog ternauwernood voorbij en vinden de verwachting al rondom ons in de velden, de verwachting van de Mei!

De traag ontwaakte hazelaar, die t niet vermoeden kon, staat nu in al zijn schamelheid beteuterd in de zon.

Maar ’k zie, de boomen dichten zich verdringen om ’t gehucht en al de frissche daken, die er nu al zomer maken en die blinken in de lucht.

Nu hebben al de meisjes ook geen manteltjes meer aan, maar heldere japonnetjes, die wel zoo aardig staan.

De Zon vond bij zijn binnenkomst de meisjes kant en klaar: de meisjes, zonder manteltjes, — en met de blonde kleuren van dien ridder in het haar.

Jan Prins

Uit: Tochten. Amsterdam, W. Versluys.

Rijpma, Jonge Kracht. I. 15

Sluiten