Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BRIEF AAN DEN LOTELING.

Op een helderen oogstdag verliet Trien, al huppelende, het dorp om huiswaarts te keeren; haar gelaat, door eenen zoeten glimlach gesierd, verried blijdschap en vroolijke haast; licht waren hare stappen door het mulle zand der baan, en bij poozen klommen eenige onvatbare klanken uit hare hijgende borst, als sprak zij tot zich zelve. — In de eene hand hield zij twee groote bladen schrijfpapier, in de andere eene vermaakte pen en een fleschken met inkt, haar door den koster geschonken.

Onderweg ontmoette zij de schoone Kaat van den klompenmaker, die al zingend, met een bussel klaver op het hoofd, uit eenen zijweg trad en hare vriendinne staan hield met de vraag:

„Hé, Trien, waar loopt gij met dit papier naar toe? Wat zijt ge haastig; het brandt er immers niet? — Zeg, hoe is het al met uwen Jan?”

„Ja, met onzen Jan?” antwoordde Trien, „dat weet Onze Heer, Kaatje lief. Sedert hij vertrokken is, hebben wij nog maar drie keeren tijding van hem gehad, dat hij gezond was. Nu is het al zes maanden geleden, dat een kameraad van Turnhout in de Kroon eene boodschap van hem voor ons heeft afgegeven; maar het moet toch moeielijk zijn; want hij ligt ergens boven Maastricht, en er komen toch alle dagen geene kennissen van zoo verre naar dezen kant.

„Wel, kan hij dan niet schrijven, Trien?”

„Hij heeft het toch gekund; want, als wij klein waren en samen bij den koster ter schole gingen, dan heeft hij nog eenen prijs van het geschrift gehad. Maar hij zal het vergeten zijn, gelijk ik.”

„En wat gaat gij dan met dit papier doen?”

„Ja maar, Kaat, sedert twee maanden heb ik mijn oud schrijfboek weer uit de kist gehaald, en ik heb het opnieuw geleerd. Ik ga eens zien, of ik geenen brief aaneen kan krijgen. Of het zal

Sluiten