Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderwijl zagen de vrouwen en de grootvader het peinzende meisje met eene uiterste nieuwsgierigheid aan. Het kleine broerken was met de twee armen op de tafel komen liggen en gaapte haar in mond en oogen, om af te spieden, wat zij met de pen zou doen.

Maar Trien stond even sprakeloos op, vatte een koffiekoppeken van de kast, goot den inkt uit het fleschken er in en ging dan weder bij de tafel zitten, waar zij het papier tienmaal keerde en herkeerde.

Eindelijk duwde zij de pen in den inkt en schikte zich, alsof zij schrijven ging. Na een oogenblik hief zij het hoofd op en vroeg:

„Welnu, zegt nu maar: wat moet ik schrijven?”

De beide weduwen zagen elkander ondervragend aan en klikten te gelijk op den zieken grootvader, die den hals verre uit zijne gordijnen had en het oog op de hand van Trien gevestigd hield.

„Wel, schrijf, dat wij altemaal gezond zijn,” zeide de grijsaard hoestend, „zoo begint een brief toch altijd.”

De maagd bemerkte met eenen spijtigen glimlach:

„Och, dat is ook iets! Dat wij altemaal gezond zijn, — en gij ligt daar ziek te bed, sedert vijftien dagen!”

„Wel, dat kunt ge dan op het leste in den brief immers toch wel zeggen, Trien?”

„Neen, meisken, zie, weet ge wat ge doet?” sprak de moeder van Jan. „Begin maar eens met te vragen, hoe het met zijne gezondheid gaat. En als dat er staat, zullen wij er allengskens wel wat bijdoen.

„Neen, kind,” zei de andere weduwe, „schrijf eerst, dat gij de pen in de hand neemt, om te vernemen naar den staat van zijne gezondheid. Zoo begon de brief van Peer Jans Tist ook, dien ik gisteren bij den meelpeller heb hooren lezen.

„Ja, dat zegt de kloonmakers Kaat ook, maar ik doe het toch niet, want het is veel te kinderachtig,” sprak de maagd met ongeduld. „Jan zal toch van zelf wel weten, dat ik met mijne voeten niet kan schrijven.’

„Zet maar eerst eens zijnen naam boven op het papier,” zeide de grootvader.

Sluiten