Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Welken naam? Braems?

„Bijlange niet: Jan.

„Gij hebt gelijk, vader,” antwoordde de maagd. „Ga weg, Pauwken; doe uwe armen van de tafel. — En gij, moeder, zit wat achteruit; want wees zeker, gij zult mij stooten.”

Zij bracht de pen op het papier, en terwijl zij naar de plaatse zocht, waar zij schrijven zou, spelde zij met stille stem den naam van den afwezigen vriend.

De moeder van Jan stond eensklaps recht en greep de hand der maagd, zeggende:

„Wacht eens wat, Trien. Dunkt u niet, dat Jan alleen niet goed is? Zoo kort afgemeten. Daar zou iets moeten bij zijn. Zoudt gij niet beter doen, met te zetten beminde zoon of kind lief ?

Deze woorden hoorde Trien bijna niet; zij was bezig met het papier af te likken — en riep half verstoord:

„Zie, dat komt er nu van! Eene groot klad op het papier! En er helpt geen likken aan: het gaat er toch niet uit. — Ik zal het andere blad maar nemen.”

„Wel, Trien, wat zegt gij er van? Beminde zoon, dat is immers veel schooner?’

„Neen, dat wil ik ook niet zetten,” morde Trien spijtig. „Kan ik nu aan Jan gaan schrijven alsof ik zijne moeder ware?

„Maar, wat zult ge dan schrijven?”

Een lichte schaamteblos beklom het voorhoofd der maagd, terwijl zij antwoordde:

„Dat wij eens schreven lieve vriend? Vindt gij niet, dat dit nog het schoonste is van alles?

„Neen, dat wil ik nu ook niet,” zeide de moeder, „zet dan nog liever Jan kortaf.”

„Beminde Jan?” vroeg de maagd.

„Ja, zóó is het goed!” antwoordden de anderen te gelijk, als verblijd over de oplossing van dit lastig raadsel.

„Eh wel, blijft dan altemaal van de tafel,” riep de maagd, „en houdt Pauwken van mijn lijf, dat hij mij niet stoote!”

Het meisje begon den arbeid. Na een oogenblik stonden reeds

Sluiten