Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaagde jammerlijk over de ramp, totdat men eindigde met de vraag:

„Och, God, wat nu gedaan?”

„Kom, kom,” zeide Trien met besluit, „het ongeluk is zoo erg niet. Ik was toch van zin den brief opnieuw te schrijven; want in het eerst ging het toch niet goed; de letteren waren te groot en het geschrift was te krom. Nu zal ik het wel beter doen; ik heb er moed op gekregen. Laat mij maar eens gauw naar het dorp loopen om papier en inkt en om mijne pen eens te laten vermaken, want ze is al veel te slap geworden.

„Wel, ga dan gauw, land,” was het antwoord: „daar hebt gij het vijffrankstuk van het kalf. Laat dit eens wisselen bij den koster; want wij zullen onzen armen Jan toch op zijn minst wel een zestienen-halve moeten sturen. — Pauwken, op! ten huize uit, en kom nog terug vóór den avond, zoo ge durft!

Trien snelde de deur uit en liep, met eenen lach van tevredenheid op het gelaat, in de richting van het dorp. De zegepraal, die zij had behaald, de overtuiging, dat zij voortaan aan Jan zou kunnen schrijven, en bovenal eene soort van hoogmoed over hare kunde, ontstelden haar hart van zoete vreugd.

H. CONSCIENCE.

Uit: De Loteling. Brussel, J. Lebègue en Cie.

KLEENGEDICHTJE.

Verlaten, groot en kleen, verlaten zal elkeen, wat liefdeband hem binde, hetgeen hij eerst en meest beminde.

Guido Gf.7F.11 F..

Sluiten