Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Falderalderalie! Falderalderalie!

A.F.C. krijgt op z’n falie!

Wel ’n minuut lang zongen de A.F.C.-ers hun: Hop, hop, hop! de Vitessers hun: Falderalderalie! toen Kees en Eddy plotseling hun petten in de lucht gooiden en als bezetenen schreeuwden: „Hup, A.F.C.! Hoera, A.F.C.!”

Ze hadden naast de tribune de bekende witte truien en korte broeken ontdekt.

Daar kwamen ze aan, achter elkander, alle elf.

Nee, wat was dat, het waren er maar tien! Dolf Hovy, Ben Terhey, Jan Stoop, Jacques Pinke.... Wel verdraaid.... Mannus d’r niet bij?

De adem stokte Eddy in z’n keel. Zou die niet mee doen? Zou die ziek wezen? Eddy durfde het bijna niet vragen, bang dat de Vitessers het zouden horen.

Eindelijk vroeg hij:

„Zeg, Kees, is Mannus ziek?”

„’k Weet niet!” zei Kees, die al even benauwd keek als zijn buurman.

Ze lieten de Vitessers schreeuwen, hoorden zelfs nauwelijks, wat er om hen heen geroepen werd; ze hadden slechts één gedachte: zou hij komen of zou hij niet komen?

Als Mannus met mee deed, dan was het mis, dan kon A.F.C. zich wel opschrijven, dan zouden Kees, Eddy, Tony en Piet hier, te midden van al die lamme Vitessers, hun club zien verliezen op hun eigen veld. Zij staarden onafgebroken naar die bekende plek naast de tribune, waar hij vandaan moest komen.

Toen ineens, ’n zucht van verlichting.... Daar was-ie!

„Hoera! Hup, Mannus! Hoera, Mannus!” en plots klonk het donderend als een oorlogskreet langs de lijntjes en op de tribune!

„Hup, Mannus! Hoera, Mannus!”

Het gezicht van hun beroemden voorwaarts gaf alle A.F.C.-ers moed en deed voor een ogenblik zelfs de Vitesse-supporters verstommen.

Rijpma, Jonge Kracht. I. "

Sluiten