Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARTEN HARPERTSZ.

1607—1609.

Wat moed in zulk een teedre jeugd!

Jonkvrouw J. C. de Lannoy.

Het was een toneel, het penseel van een’ Schotel waardig, die onmetelijke zee, slechts aan de ene zijde in het verre verschiet door de Afrikaanse kust begrensd, op welke twee schepen sinds een paar uren een schouwspel aanboden, naar een’ strijd van de wilde monarchen der woestijnen van dat werelddeel zwemende. Het koninklijke van de leeuw viel in het ene vaartuig niet te miskennen, de aard van de tijger kwam in elke beweging van het andere uit. Terwijl de houding van het scheepsvolk op het dek van het eerste een vurig verlangen naar de strijd verried, en de bevelen van diens kapitein bewezen, hoe zeer hij wenste de wijkende in te halen, scheen het tweede de vervolging te willen ontsluipen, maar trachtte inderdaad slechts het voordeel van de wind te hebben, om te zekerder te overwinnen. Alle aarzeling, aan boord van welk der beide schepen wij ons zullen begeven, houdt op, nu wij bij het middagzonnelicht van die hemel, dat bijna loodrecht op de blinkende golven en het even blinkend zand der Guinese kust nederdaalt, op het eerste de Prinsenvlag aanschouwen. Ongeveer veertig jaren vóór het door ons geschetste ogenblik had de Vader des Vaderlands haar, door zijn ridderlijken broeder, bij Heiligerlee, voor het eerst doen ontrollen.

Ongeveer veertig dagen vroeger had Jacob van Heemskerk haar voor het eerst op den erfvijand van de Staat, op zee, doen zegepralen.

Laat ons de groep op de achtersteven van dat schip gadeslaan. De hoed met de pluim — de bonte sjerp — het grote zwaard, doen

Sluiten