Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons in een man van middelbare leeftijd den bevelhebber vermoeden; — van Meteren noemt hem Harbart Martssen, Capiteyn van de Bare, een schip tot die der Admiraliteyt van de Maze behorende. Die jongeling in de bloei zijner dagen is de luitenant Heinsz, — gindse éénogige grijskop zijn stuurman; dat knaapje, dat zich vermetel op die uithoek geplaatst heeft, is de zoon des bevelhebbers.

„Ik kan weiarachtig niet zien, dat de rover nadert,” sprak de vóórlaatste tot den kapitein, de blik op het schip gevestigd houdende, hetwelk alleen het eentonig gezicht, dat lucht en golven aanboden, afbrak.

„Wat, rouwe Gijsbert! antwoordde deze, den pekbroek met ene dier vertrouwelijke benamingen aansprekende, in die dagen niet ongewoon, en van welke de deftige geschiedenis m o ij en Boer, lange Hendrik en mooi Lambert bewaarde; — „kunt ge niet zien dat hij, nu de wind in zijn voordeel is, alle zeilen bijzet, om ons op zijde te komen? Knaap! reik mij de kijker!”

„Hm, Hm!” mompelde de stuurman, aan de haren van zijn grauwe baard trekkende, „toen ik bij den admiraal van Veere scheep kwam, wist men niets van die verspieders; maar Jacob Simonsz zei honderdmaal, dat het éne oog van rouwe Gijsbert scherper zag dan een valk.

„Hij komt, hij komt!” riep het jongsken, terwijl zijn vader door de voortreffelijke kijker tuurde, welke deze van Jacob Metius te Alkmaar gekocht had; „zie, meester Gijsbert! eerst was hij onder dat wolkje — nu is het achter hem!”

„De droes! zouden de jaren het doen?” mompelde de oude.

„Dat Pieter Claes Rochussen bij ons ware!” zeide de luitenant, „de Luipart is nauwlijks tegen hem opgewassen, en onze Bare —”.

„Hij schijnt lust te hebben te onderzoeken, of wij al ons kruit bij Gibraltar verschoten,” viel Harbart in, en gaf de vereiste bevelen, ten einde den vreemdeling, zo als hij het verdiende, te ontvangen.

Rijpma, Jonge Kracht. I. 18

Sluiten