Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ridder ziet het beest, en staart Dan ver de verten in;

Maar in zijn oogen klaart een lach,

Die spreekt van luchter zin.

En als het licht in ’t Westen zinkt,

En de avond stiller wordt,

Staat ’t halve burchtvolk om het kot,

Waar ’t varken loomig knort.

Ze pakken aan, en de een grijpt hier,

En de ander vat het daar,

En schodden wild aan oor, of start,

Of ’t ruige borstelhaar.

En vlucht het varken ’t slotplein op,

De mannen draven mee,

En ’t schor geschreeuw klinkt wijd en zijd Tot gunt in ’s vijands stee.

Ze rusten wat, en dan begint

’t Weer krek als d’ eersten keer,

En angstig runt het gillend zwijn Het slotplein op en neer.

De zon wil op, de morgen kriekt,

De mannen staan weer klaar,

En ’t varken giert zijn schel gekrijt Met jammerlijk misbaar.

Zoo gaat het dagen achtereen,

En be-over ’s vijands wal

Hoort men dat slachten endeloos,

Van varkens zonder tal.

Sluiten