Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er mij nu al meer van vertellen ? Zou je kans maken naar een baantje van herenknecht?”

„’k Zie er van af,” zei Kikkie, en hij was er met geen mogelijkheid meer over aan ’t praten te krijgen.

’t Spreekt van zelf, dat Kikkie z’n knevel weer liet groeien. Hij schonk nu weer zijn volle aandacht aan de brugklanten, want hij begreep, dat hij het van hen toch eigenlijk moest hebben.

„Wat is die Kikkie toch sterk!” zei een bakker enkele weken later met een knipoogje tegen een melkboer.

„Ja ja!” zei de melkboer, „een poosje geleden was hij niet veel waard, maar ’t gaat hem net als Simson: zijn knevel begint weer aan te groeien!”

Kikkie zei er niets op. Die praatjes zouden wel een einde nemen. Hij was nu weer met zijn lot verzoend. Hij kende ze wel, ook gewezen suikerbakkers, die helemaal niets hadden. Ze moesten van hun kinderen afhangen. Dat behoefde hij gelukkig niet te doen. Och, voor iemand van zijn leeftijd was zo’n brug nog zo kwaad niet! Als je eenmaal in je klantjes zat, dan hield je ze. En dan de bijbaantjes; dat was ook ieders werk niet. Als je bij de grote lui eenmaal „in de pas” was, dan had een ander geen kans. Neen! ’t Spreekt van zelf dat hij liever suikerbakker gebleven was, maar dat kon nu niet en daarom: hij moest zeggen, dat hij het al heel goed „geschoten” had —

En hij stak zijn ene hand in de zak en telde op ’t gevoel de centen, die hij die morgen had ontvangen.

„Kikkie!” werd achter hem geroepen.

„Ik kom bij je!” riep hij terug, en hij dacht, terwijl hij vlug naar het karretje ging: „Daar heb je weer één! —

’t Is hier nog zo kwaad niet!”

G. J. VlSSCHER.

Uit: Nederland. 1911. Amsterdam, Loman & Funke.

Sluiten