Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TWEE PORTRETTEN.

Zijn glorie klonk de wereld rond En duchtte geen beschaming;

De stem des nijds, ook hier gehoord,

Was lang reeds in een kreet gesmoord Tot lof van d’ eedlen Vlaming;

Zoo’n heldre gloriezon verschiet Zelfs bij den glans van Rubens niet.

„Van Dijck! van Dijck!” zoo ging de roep

Door Vlaamsche stad en vlekken:

„Van Dijck!.... Van Dijck!” en feestlijk groen Versiert met vlag en bloemfestoen Al, waar hij door moet trekken.

De dorpsjeugd dartelt hem te moet En strooit hem rozen voor den voet.

En toch! hij was het niet alleen,

Die, ’t kunstpalet in handen,

Van eedlen, reinen scheppingsgloed Het beurtelings stout en teer gemoed En rijzen voelde en branden:

Nog andren leefden met Van Dijck,

Schoon minder goud en lauwren rijk.

Nog andren wischten soms een traan Uit vurig starende oogen,

Wanneer natuur in al haar schoon Betoovrend zich had aangeboon En ’t kunstnaarshart bewogen,

En zij, verrijkt, vermenigvoud,

Aan ’t willig kunstdoek was betrouwd.

Sluiten