Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En, als van werk- en bestjeshuis De waardige Regenten,

Wel deftig op een rij geschaard,

Met tabbaard, halskraag, hoed en baard Vertrouwd aan Frans’ talenten,

Zich lieten schildren door zijn hand Op doek, ter breedte van den wand, —

En, als hij, in den vriendenkring Verzameld ter taveerne,

Zijn kruikje bier naar binnen sloeg Bij tafelkout, vaak luid genoeg, —

Dan dacht hij: „’k Mocht wel geeme Reis hooren, hoe der schildren held, Van Dijck, ’t al met de lieden stelt.”

Eens was Frans Hals, van ’s morgens vroeg Bij t lieve zonnestralen,

Dat ginder op de huizen scheen,

Maar in zijn kluis den dag alleen,

Den hellen dag liet dalen, —

Eens — was hij vroeg aan ’t werk gegaan, En legde een Schuttersdoelen aan.

Hij werkte vlug en vroolijk door, Volijverig als de mieren;

Vlug was hij — want een flinken kop, Begon hij soms en werkte ’m op Desnoods in vijf kwartieren;

En dan nog floot hij tusschentijds Zijn vink in t raam een nieuwe wijs.

Sluiten