Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De edelman hernam dat het hem genoegen zou doen, als men zijn gezellen even goed onthaalde als hem, dat zij geen mindere behoefte aan verkwikking hadden dan hij zelf, en hij vervolgde, hetgeen Jeltze hem vroeger gezegd had nog niet vergeten zijnde, en nu meer goed vertrouwen hebbende sedert het aanbieden van de wijn: „Het moet gezegd worden, vrouw! dat uw woning zich niet gemakkelijk opent, doch dat men er de gastvrijheid weet uit te oefenen; daarom verwondert het mij, dat gij het gaan met jachttuig in deze landstreek als een zo groot kwaad beschouwt, vooral voor arme jagers als wij, die u zelfs niets voor uw tafel kunnen medebrengen. Gij weet misschien niet dat wij, edelen, van den graaf het recht verkregen hebben, nu en dan te jagen in zijn bossen, en het woud waarin ik verdwaald ben geweest, behoort immers onder zijn gebied!”

„Gebied! herhaalde Juw, die nu eerst naast zijn grootmoeder plaats genomen had. De edelman vestigde het oog op den jongeling en vervolgde, zonder zich door het ontevreden gelaat van dezen te laten afschrikken, noch zich te laten weerhouden door het bijna onmerkbaar hoofdschudden van den voornaamste zijner volgelingen: „Ja, gebied! gij zijt oud genoeg, om te weten, dat Floris landsheer van Friesland is; of ben ik Stavoren ook voorbijgetrokken zonder het te weten, jongen?”

„Ik ben een edeling!” hernam Juw fier, zich belgende over de benaming van jongen; hij, die geen aanspraak maakte, anders dan bij zijn naam genoemd te worden door de dienstmannen zijner grootmoeder, wilde den vreemdeling doen gevoelen, dat hij op zijn minst genomen, in rang met hem gelijk stond, en op dezelfde toon met welke men gevraagd had, antwoordde hij: „Het schijnt u reeds moeite genoeg gekost te hebben het zonder te verdrinken tot hiertoe te brengen, laat staan dan tot voorbij Stavoren. En wat dat geschonken recht van den zogenaamden landsheer betreft, de eerste de beste Fries.dien gij ontmoet hadt, zou u hebben kunnen zeggen, dat het juist niet veel te beduiden heeft, ofschoon Floris zelf wel eens jaagt op onze gronden; en ik ben oud genoeg, om te weten, dat de ene wilddief aan den anderen geen jachtrecht geven kan!”

Sluiten