Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Uw gasten!” riep Juw, wiens stem en houding zijn wanhoop verrieden, terwijl hij lang met donkere blikken naar de grond zag. Een hevige tweestrijd scheen er in zijn binnenste plaats te hebben; ten laatste behield de wraakzucht de overhand, en hij zeide met sombere onvergenoegdheid: „Een moordenaar kan geen gast zijn; hij kan niet zitten aan de haard; spijs en drank worden hem geweigerd, en niemand ontvangt hem onder zijn dak!

„Juw!” riep de oude vrouw, die hem met deernis aanzag en treurig het hoofd schudde: „Wat gebeurd is, kan niet veranderd worden; gij weet dat ik hem onder dak genomen heb, en gij zelf hebt hem herwaarts geleid; wat helpt u het klagen? Denkt gij dat het mij niet meer kost voor hun leven te waken, dan u, om het hun enige uren te laten? O, het is wreed, niet naar uw grootmoeder te luisteren! Wilt gij de toorn van God en Zijn Heiligen op haar hoofd Iaden, door de rechten der gastvrijheid te schenden? Wilt gij de schande, de verachting op mijn grijze haren doen nederdalen, als geheel Friesland zal weten, dat de deur van mijn huis zich geopend heeft om gasten te ontvangen, die niet weder zijn uitgegaan, maar die men vermoord heeft?

Met somber zwijgen hoorde Juw zijn grootmoeder aan. Hij werd niet gewaar dat Rieme zich naast hem plaatste en de hand op zijn schouder legde; hij zag niet, hoeveel droefheid en medelijden er lag in de blik, die zij op hem vestigde; doch toen zij beschroomd de mond opende en zeide: „Juw! bezondig u niet; hoor naar de woorden van onze moeder!” toen schudde hij met het hoofd en antwoordde: „Ik kan niet, Rieme!” Vergeefs herhaalde zij haar bede en sloeg haar armen om hem heen, ten einde hem tot andere gedachten te brengen; maar hij stiet haar onzacht ter zijde; en Ruird, die de tweestrijd van zijn jongen meester zag, riep onvergenoegd: „Zal het bloed van mijn edeling tevergeefs om wraak roepen, vrouw Jeltze?” Rieme trad wenend ter zijde.

„Neen!” antwoordde Jeltze straf. „Maar die als gasten ontvangen zijn op Kreilingaweerd, zullen er veilig zijn; ik wil....

„Moeder!” riep Juw woest, „geef hun de wapenen terug, en ik alleen zal hen bevechten; ik wil mijn goeden vader wreken, zijn

Sluiten