Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opmerking: Omdat het Nederlandsch niet zoo regelmatig is als Esperanto zijn er enkele uitzonderingen, waar men niet kan

vragen: „wie of wat wordt ?”. Toch is het zinsdeel, dat op die

werkwoorden volgt, het lijdend voorwerp. Dit is o.a. na hebben, bevatten, beteekenen.

Van het lijdend voorwerp zegt men, dat het in den vierden naamval staat.

Het lijdend voorwerp wordt in Esperanto aangeduid door bijvoeging van een letter n.

De man slaat den jongen. La viro batas la knabon.

Ik hoor muziek. Mi aüdas muzikon.

De mensch heeft een hoofd. La homo havas kapon.

Opmerking: In het Nederlandsch volgt ook na een voorzetsel een vierde naamval, bijv.: De zoon van dien man is dokter. In Esperanto krijgt echter alleen het lijdend voorwerp een n:

La filo de tiu viro estas kuracisto.

Mi aüdas belan muzikon. Ik hoor mooie muziek.

Mi ne vidas lin. Ik zie hem niet.

Behalve het lidwoord la krijgen alle woorden, die in het lijdend voorwerp staan, de letter n.

Tweede en derde naamval.

Er bestaat in het Nederlandsch ook een tweede naamval, die aangeeft, van wien iets of iemand is:

De stoel des vaders. De ouders der kinderen.

Deze tweede naamval kan men in het Nederlandsch ook omschrijven door: De stoel van den vader, de ouders van de kinderen. Op deze wijze vertaalt men den tweeden naamval dan ook in Esperanto: La sego de la patro; la gepatroj de la infanoj.

Tenslotte is er nog een derde naamval, die aanduidt, naar of tot wie de werking van het gezegde gericht wordt:

Ik schrijf hem een brief.

Hier kan men in het Nederlandsch het woord „aan” tusschenvoegen: Ik schrijf aan hem een brief. In Esperanto moet dit „aan” vertaald worden:

Mi skribas al li leteron.

Sluiten