Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortdurende en het verleden deelwoord, dat de werking voorstelt als afgeloopen.

Het tegenw. deelwoord eindigt in ’t Nederlandsch op d en het verl. deelwoord begint meestal met ge, als: loopen, loopend, geloopen; leeren, leerend, geleerd; slaan, slaand, geslagen; zien, ziend, gezien; vernemen, vernemend, vernomen; begeeren, begeerend, begeerd.

Het Esperanto nu heeft, behalve een tegenw. en een verl. deelwoord, ook nog een toekomend deelwoord, wat wij omschrijven met het woord zullende vóór het werkwoord, bijv. zullende loopen, zullende leeren, zullende slaan enz.

Verder worden deze drie deelwoorden onderscheiden in bedrijvende en lijdende deelwoorden.

De bedrijvende deelwoorden duiden aan, dat de persoon of het voorwerp, waarop zij betrekking hebben, de handeling van dat deelwoord zelf verricht:

de zingende jongen (de jongen zingt zelf).

het vallende paard (het paard valt zelf).

het gevallen paard (het paard is zelf gevallen).

De lijdende deelwoorden duiden aan, dat de persoon of het voorwerp, waarop zij betrekking hebben, de handeling niet zelf verricht, maar ondergaat:

de geschreven brief (de brief schreef niet zelf), de geslagen jongen (de jongen sloeg niet zelf), de verwarmde kamer (de kamer verwarmde niet zelf).

In het Esperanto worden de bedrijvende deelwoorden gevormd door achter den stam te plaatsen:

voor het tegenwoordig deelwoord de uitgang anta. voor het verleden deelwoord de uitgang inta. voor het toekomend deelwoord de uitgang onta.

De lijdende deelwoorden worden gevormd door achter den stam te plaatsen:

voor het tegenwoordig deelwoord de uitgang ata. voor het verleden deelwoord de uitgang ita. voor het toekomend deelwoord de uitgang ota.

Sluiten