Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ESPERANTO-EXAMEN DEN HAAG, 4 MEI 1935.

Opgave Examen A.

Vertaal in het Esperanto:

1. De meeste leerlingen lezen te weinig.

2. Al lezende leert men woorden en begrijpt men de grammaticale regels.

3. Hoeveel boeken hebt ge al gelezen en hoeveel oefeningen hebt ge reeds vertaald?

4. Wat is het verschil tusschen: dat boek en zulk een boek?

5. Maandag ga ik naar een van mijn vrienden, bij wien een twintigtal Esperantisten samenkomt.

6. We zullen dan eenige moeilijke regels van de spraakkunst bespreken.

7. Jan wordt gestraft, omdat hij over een plank was geloopen.

8. Dit schijnt vreemd, maar die plank lag niet op den grond, maar tusschen twee hooge muren van een huis, dat men bouwde.

9. Als hij gevallen was, zou hij misschien zijn been gebroken hebben.

10. De officier beval den soldaat, dat deze zijn sabel zou schoonmaken.

11. De soldaat deed, wat de officier had bevolen en maakte de sabel van zijn meester schoon.

12. Niemand begrijpt dat kind. Het lacht overal om. Hij, die dat doet, is een dwaas.

13. Ziet ge die tafel? Ziet ge niet, dat haar pooten veel te lang zijn en dat haar kleur leelijk is?

14. De hoogste boomen dragen niet altijd de beste vruchten.

15. Werk langzaam en oplettend, dan zult ge niet veel fouten maken.

Sluiten