Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Beschrijf beknopt de proeven, die men zal moeten uitvoeren om een oplossing van zwavelammonium (het normale zout) te maken, als men de beschikking heeft over: ijzer, zwavel, ongebluste kalk, zoutzuur, ammoniumchloride en water,

16. Welke reacties hebben plaats bij inwerking van: a. zwavelwaterstof op sterk salpeterzuur, b. hetzelfde gas op verdund salpeterzuur, c. sterk salpeterzuur op gloeiende kool, d. sterk salpeterzuur op zwavel.

17. Waarom noemt men ammoniumhydroxyde een zwakke base?

18. Men heeft 8 cylinderglazen elk gevuld met een der volgende gassen: stikstofoxyde, chloor, waterstof, ammoniak, zoutzuurgas, zwaveldioxyde, geozoniseerde zuurstof.

Hoe zoudt ge op eenvoudige wijze elk van deze gassen kunnen herkennen?

19. Hoeveel weegt 1 liter ammoniak, wanneer v cm3 zoutzuurgas onder dezelfde omstandigheden p gram weegt? Verandert dit gewicht, wanneer men in plaats van H = 1, O •*= 16 neemt?

20. Hoe maakt men in het laboratorium ammoniak en hoe in de techniek?

21. Geconcentreerde ammonia heeft een soortelijk gewicht van 0.882 en bevat 35 gewichtsprocenten van het gas. Hoeveel gram ammoniakgas bevat 1 liter van deze oplossing? Hoeveel liter gas is dat? Hoe groot is de titer van de oplossing?

22. Geef de vergelijkingen voor de reactie tussen ferrochloride, zoutzuur en salpeterzuur.

23. Men verwarmt zwavel met: a. sterk salpeterzuur, b. verdund salpeterzuur, c. sterk zwavelzuur. Wat gebeurt in elk van deze gevallen?

24. Op welke metallóiden werkt salpeterzuur? Geef de vergelijkingen.

t 25. Er is gegeven een zekere ligging van het evenwicht:

N204^2N02.

Wat verstaat ge bij dit evenwicht onder de dissociatiegraad ?

Sluiten