Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dampdichtheid van 14.579. Hoeveel volumeprocenten van elk der dissociatieproducten bevat de damp? Hoeveel moleculen van elke soort zijn op 100 moleculen aanwezig?

61. Wat gebeurt wanneer men verhit: a. ammoniumnitraat,

b. kaliumnitraat, c. ammoniumnitriet, d. natriumbicarbonaat, e. kaliumhydrosulfaat?

62. Hoe toont men aan een kaliumzout, een natriumzout, een ammoniumzout?

63. Hoe reageert een oplossing van salmiak? Verklaar.

14. CALCIUM, BAKIIJM.

(Ca = 40, Ba = 137.5).

1. Hoe wordt calciumcarbide gewoonlijk bereid en hoe kan men hiermede de atmosferische stikstof omzetten in een bruikbare vorm?

2. In een buis, die door een kraan is afgesloten, verhit men een voldoende hoeveelheid calciumcarbonaat, zodat deze stof zich ontleedt. Wat gebeurt er in elk der volgende gevallen: a. men verhit tot een bepaalde temperatuur van t° en houdt de temperatuur op t°, b. daarna wordt de kraan geopend en onmiddellijk weer gesloten, zodat een gedeelte van het koolzuur ontsnapt (de temperatuur wordt steeds op t° gehouden),

c. bij de temperatuur van t° wordt een weinig kooldioxyde in de buis geperst en de kraan daarna weer gesloten? En wat gebeurt als men iets meer calciumcarbonaat in de buis brengt?

3. Hoe werkt gebluste kalk op a. zoutzuur, b. chloor, o. een overmaat van spuitwater, d. een overmaat van orthofosforzuur, e. ammoniumchloride, ƒ. ferrosulfaat in tegenwoordigheid van water en zuurstof?

4. Wat neemt men waar, als men koolzuur in een oplossing van calciumchloride leidt?

5. Wat verstaat men onder het oplosbaarheidsproduct van calciumsulfaat? Is dit kleiner of groter dan dat van bariumsulfaat? Welke proef bevestigt dit?

6. Hoe kan men uit calciumchloride maken calciumortho-

Sluiten