Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. 1 liter zuiver water lost bij 25° 1.6 X 10~6 grammolecule chloorzilver op. Indien de ionisatie volkomen wordt verondersteld, wat is dan het oplosbaarheidsproduct van het zilverchloride bij deze temperatuur?

5. Door zilverchloride met een oplossing van kaliumjodide te overgieten zet het zich om in zilverjodide. Hoe is dit te verklaren?

6. Een dubbeltje bevat koper en zilver. Hoe kan men hiervan zuiver zilvemitraat maken?

7. Hoe bepaalt men gravimetrisch en hoe titrimetrisch het gehalte aan zilver van een dubbeltje?

8. Men lost zilver op in verdund salpeterzuur en voegt aan de oplossing zoveel natronloog toe, dat er een neerslag ontstaat. Schrijf de vergelijkingen op voor deze reacties.

9. Maak uit zilver zilversulfaat, hieruit zilvemitraat, hieruit zilverchloride, hieruit weer zilver. Vermeld of de reacties in oplossing of in vaste toestand verlopen en geef waar mogelijk de reacties in ionen.

10. Hoe werkt kaliloog op: a. siliciumdioxyde, b. ammoniumchloride, c. kaliumbichromaat, d. zilvemitraat?

26. ANALYSE.

1. Met behulp van welke reagentia verdeelt men in de qualitatieve analyse de metaalionen in groepen? Moet bij het toevoegen dezer reagentia ook gelet worden op het zuur of neutraal reageren der te onderzoeken oplossingèn? Zo ja, waarom ?

Tot welke groep behoort: a. het ferro-ion, b. het cupri-ion, o. het zilver-ion, d. het calcium-ion? Geef nog een kenmerkende reactie op genoemde ionen.

2. Hoe bepaalt men de waarde van chloorkalk, hoe die van bruinsteen?

3. Hoe zal men het gehalte aan calciumcarbonaat in kalksteen kunnen bepalen?

4. Hoe kan men onderzoeken of een vloeistof bevat: a. een zilverzout, b. een koperzout, c. een bariumzout, d. een ammo-

Sluiten