Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillende keren met kokend geconcentreerd zoutzuur en dampt telkens weer in, zolang nog nitreuze dampen opstijgen. Bij het laatste indampen en verhitten tot constant gewicht blijven er 0.4930 gram over. Hoeveel gram van de verschillende zuren bevat 1 liter van de oorspronkelijke oplossing?

23. Bij het onderzoek van de oplossing van een enkelvoudig zout veroorzaakt zoutzuur geen neerslag, maar zwavelwaterstof in die zure oplossing een geel neerslag. Welke metaalionen kunnen in de zoutoplossing aanwezig geweest zijn? Langs welke weg kan men nu uitmaken welk der mogelijke metaalionen de oplossing bevatte?

24. Beschrijf één kenmerkende reactie op: o. loodionen, 6. nitraationen, c. cupriionen, d. magnesiumionen.

25. Geef de vergelijkingen van de titratie van jodiumoplossing met natriumthiosulfaatoplossing. Hoeveel grammoleculen is een gramequivalent natriumthiosulfaat? Waarom?

26. Wat verstaat men onder het equivalentgewicht van: a. een zuur, b. een base, c. kaliumpermanganaat, d. ferrosulfaat als zout en als reductiemiddel ?

27. Bewijs de regel, dat de volumina van zuur- en baseoplossingen, die elkaar neutraliseren, zich omgekeerd verhouden als de titers. (NxVi = N2V2).

28. Hoe toont men kleine hoeveelheden fosfor aan? (schetstekening).

29. Hoeveel normaal is sterk zwavelzuur, dat 96 gewichtsprocent zwavelzuur bevat en een soortelijk gewicht heeft van 1.84. (Hierbij wordt dus aangenomen, dat het water als oplosmiddel optreedt en niet chemisch is gebonden).

30. Op welke wijzen kan men het kristalwater in een hydraat bepalen? Neem als voorbeeld gekristalliseerd kopersulfaat of soda.

31. Hoe toont men sporen water aan?

27. HERHALING.

1. Verklaar door korte beschrijvingen van voorbeelden, hoe a. een electrische stroom, b. een electrische vonk, c. een stille

Sluiten