Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

temperatuur en druk gelijk moet zijn en bereken dat volume bij 0° en 76 cm voor H = 1 en ook voor O = 16.

12. Wat verstaat men onder een normaal zout, een zuur zout, een basisch zout, een dubbelzout en een complex zout? Geef van elke soort twee voorbeelden en zeg in welke ionen zij zich in oplossing splitsen.

13. Uit welke proeven mag men besluiten, dat geel bloedloogzout een complex zout is?

14. Het zure natriumsulfide reageert in oplossing neutraal, het zure natriumsulfaat in oplossing reageert zuur. Hoe splitsen deze zouten zich dus in oplossing?

15. Uit twee stoffen A en B kunnen twee andere stoffen C en D ontstaan, terwijl onder dezelfde omstandigheden uit C en D weer A en B kunnen ontstaan. Men lost A en B elk voor zich op in hetzelfde oplosmiddel en vermengt de beide oplossingen met elkaar. Er wordt gevraagd wat het resultaat zal zijn: a. als C en D oplosbaar zijn in het gekozen oplosmiddel,

b. als C of D onoplosbaar is in dat oplosmiddel. Het resultaat in beide gevallen kort te verklaren.

16. Verklaar ionentheoretisch waarom magnesiumhydroxyde oplost in een oplossing van ammoniumchloride.

17. Geef een voorbeeld van een gas, waarin dissociatie plaats heeft, zonder dat dit invloed heeft op de dampdichtheid.

18. Welke verbindingen hebben de OH-groep in hun formule ?

19. Wat verstaat men onder a. dissociatie, b. additie,

c. electrolyse, d. allotropie, e. katalyse? Geef van ieder een voorbeeld.

20. Wat neemt men waar en aan welke reacties is het

waargenomene toe te schrijven, wanneer men: a. vast keukenzout met vast ammoniumsulfaat verhit, b. bij stikstofoxyde (NO), dat boven water staat, zuurstof toevoert, c. bij een oplossing van natriumthiosulfaat een oplossing, die een weinig jodium en stijfsel bevat, voegt, d. in een kolf, waarin zich zink en verdund zwavelzuur bevinden een oplossing van antimoontrichloride brengt en het gas, dat ontstaat door een verhitte glazen buis leidt? "

Sluiten