Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102. 100 cm3 water lossen bij 25° 2.1 X 10-1g CaS04. 2H20 op. Wat is het oplosbaarheidsproduct van CaS04, aangenomen dat al het zout is geioniseerd?

103. Hoe kunt ge aantonen, dat natriumhydroxyde waterstof bevat?

104. Elk van acht flesjes bevat één der volgende stoffen in poedervorm: NaBr, K2Cr04, CaOCl2, BaS04, ZnO, A12(S04)3, FeS04.7H20, HgCl2. Hoe is uitsluitend met water, kaliloog en zwavelzuur uit te maken welke stof elk flesje bevat? (Tabellarisch) .

105. Hoe bewijst men, dat van een electrolyte de depressie en de kookpuntsverhoging: 1 + (n-1) a maal zo groot is als van een niet-electrolyte?

106. Verklaar zowel met de reactiewet van Le Chatelier als met de verdunningswet van Ostwald waarom de splitsingsgraad van een electrolyte bij verdunning wordt vergroot.

107. Hoe groot is het equivalent geleidend vermogen van een normale keukenzoutoplossing, wanneer de dissociatiegraad is 0.680 en het equivalent geleidend vermogen bij oneindige verdunning is 109?

108. Wat weet ge te vertellen van de pH-waarde van een oplossing van kaliumsulfide, ammonia, keukenzout, kopersulfaat, ammoniumchloride?

109. Berylliumchloride bevat 88.75% chloor. Wat is hiermede te berekenen en wat moet ge nog meer weten om het atoomgewicht van beryllium (Be) te kennen?

Indien nog bekend is, dat de dampdichtheid van het berylliumchloride 40 is, kunt ge dan de waardigheid en het atoomgewicht ervan berekenen en hoeveel zijn deze? Op welke plaats in het periodiek systeem (groep en periode) zal het Be dus voorkomen?

110. Hoe werkt broomwater en hoe broomwaterstof op a. natronloog, b. kaliumsulfiet, c. kaliumferrocyanide, d. ferrochloride?

111. Schrijf naast elkaar de reacties, die verlopen bij het

Sluiten