Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die stoffen? Door welke reacties kan men tot een der beide bedoelde oxyzuren komen, als men geen andere organische verbinding heeft dan methaan?

33. Hoe werkt natriumhydroxyde op de glycerylester van normaal boterzuur?

34. Hoe werkt zoutzuur op monomethylamine, hoe fosforpentachloride op propylalkohol en hoe werken ijzer en zoutzuur tesamen op nitrobenzeen?

35. Welke isomeren ontstaan als in tolueen 1 waterstofatoom vervangen wordt door chloor? Werken deze isomeren met kaliumhydroxyde? Zo ja, hoe?

36. Hoe werkt waterstof op aethanal, op aceton, op oliezuur, op nitrobenzol, op glucose?

37. Geef de structuurformule van: a. di-isopropylaether, b. butanon 2, c. monomethylammoniumchloride? Geef voor de onder b. genoemde stof de bereidingswijze.

38. Hoe en onder welke omstandigheden werkt natriumhydroxyde op: a. natriumpropionaat, b. fenol, c. benzylchloride, d. een vet, e. benzolsulfonzuur?

39. Hoe en onder welke omstandigheden werkt salpeterzuur op glycerol en hoe op benzeen? Waaruit blijkt het verschil in karakter der ontstane producten?

40. In welk opzicht (toe te lichten met één voorbeeld) verschilt hydrogeencarbonzuur van de overige vetzuren ? Leg uit, dat de structuurformule van deze zuren het verschil verklaren.

41. Noem een gemeenschappelijke eigenschap van stoffen met meervoudige binding tussen: o. twee koolstof atomen, b. een koolstofatoom en een zuurstofatoom, c. een koolstofatoom en een stikstofatoom. Licht de bedoelde eigenschap telkens met een voorbeeld toe en noem de naam van de gekozen verbinding en van de gevormde stoffen.

42. Men verwarmt monoaethylammoniumchloride met kaliloog, b. men voegt een zeepoplossing bij hard water, c. men voegt natronloog bij een oplossing van benzölsulfonzuur, d. men verwarmt benzylchloride met natronloog, e. men brengt fenol in een mengsel van geconcentreerd salpeterzuur en zwa-

Sluiten