Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZWEMINRICHTINGEN EN WEDSTRIJDEN

De zwemonderwijzer.

Als er ooit aanleiding voor het publiek is geweest om den Koninklijke Nederlandsche Zwembond dankbaar te zijn, dan moet het zeker een zes tot achttal jaren geleden geweest zijn, toen de beoefening van de zwemkunst vrij onverwachts de belangstelling van de massa trok en dank zij de goede zorgen van den K.N.Z.B. voldoende terzake kundige leerkrachten klaar stonden, volkomen bekend en vertrouwd met de beste en nieuwste methoden van zwemonderwijs om de ontelbare massa’s, die zich voor instructie kwamen aanmeldett, in korten tijd de zwemkunst te leeren.

Nog niet zoo heel lang geleden was het met het zwemonderwijs in ons land droevig gesteld. In verreweg de meeste gevallen was het onderwijs toevertrouwd aan menschen, die in geen enkel opzicht voor hun taak berekend waren en die voor hun benoeming dikwijls nimmer in een zweminrichting waren geweest. Gevallen, dat de zwemonderwijzer zelf niet zwemmen kon, kwamen niet alleen bij uitzondering voor.

Deze onduldbare en voor de verbreiding van het zwemmen wel zeer ongewenschte toestand was jaren geleden voor den K.N.Z.B. aanleiding de opleiding voor zwemonderwijzer(es) ter hand. te nemen. Een diploma als zwemonderwijzer(es) werd reeds vroeger ingesteld. In 1920 werden de eerste cursussen voor de opleiding voor het diploma als zwemonderwijzer georganiseerd. De cursussen mochten zich onmiddellijk in een groote belangstelling verheugen en het aantal candidaten voor het examen steeg jaarlijks met groote sprongen. De laatste jaren nemen meer dan 300 candidaten aan het examen deel. In 1929 werd het Bondsdiploma officieel door de Regeering erkend en worden deze thans door den Rijksgecommitteerde medeonderteekend.

De eischen, welke aan den huidigen zwemonderwijzer worden gesteld en ook gesteld moeten worden zijn lang niet licht. Immers de zwemonderwijzer moet vertrouwd zijn met alle methoden van onderwijs, zoowel hoofdelijk als klassikaal. Hij moet even gemakkelijk met den hengel als met de bussen kunnen omgaan. Met vlugge en minder vlotte kinderen moet hij even gemoedelijk kunnen werken als met dames en heeren van 40 jaar en ouder. Hij mag zijn geduld niet verliezen, wanneer na 10 lessen enkele

Sluiten