Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WATERPOLOSPEL

Afb. 57.

voor den keeper onhoudbaar. Op dezelfde wijze kan de bal natuurlijk ook naar rechts of links geplaatst worden.

Al deze worpen eischen zeer veel oefening. De ongehinderde speler mist nog al eens. Dan weer is het schot te zacht, dan te hoog, dan weer wordt de bal weinig zuiver geplaatst of verliest de speler den bal enz. Het zal dan ook verder wel geen nader betoog behoeven, dat de goede uitvoering van al deze worpen lang niet gemakkelijk is, wanneer de speler door een gelijkwaardigen tegenstander zwaar gedekt wordt. Door die dekking is het slechts zelden mogelijk in vrijliggende positie te werpen of te schieten. Daarom zal de speler moeten leeren in iedere houding hetzij op rug, borst of zijde al of niet met het hoofd onder water den bal weg te werken, hetgeen slechts door langdurige oefening te leeren is.

Het waterpolospel wordt gespeeld door twee partijen van zeven spelers. Meestal vormen hiervan drie spelers de achterhoede en drie spelers de voorhoede, terwijl de zevende man natuurlijk de doelverdediger is. Dikwijls komt het ook voor, dat twee spelers voorspelen twee midden en twee achter. Met uitzondering van den keeper heeft feitelijk geen enkele speler een vaste plaats en meermalen zal het voorkomen, dat een der achterspelers in de voorhoede ligt, terwijl de voorspeler aan het verdedigen is. Een vaste plaats heeft daarom ook geen enkele speler, omdat het de taak van iederen speler is de dekking van een speler der tegen-

Sluiten