Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WATERPOLOSPEL

H. Het aanraken van den bal, voordat hij de wateroppervlakte heeft bereikt, wanneer de scheidsrechter hem inwerpt.

I. Tijdverspillen door in gebreke te blijven mede te werken aan het normale verloop van het spel, wanneer men den bal in zijn bezit of binnen zijn bereik heeft.

J. Bij het nemen van een vrijen worp de bal, hetzij rechtstreeks of na opzwemmen, werpen naar den doelverdediger van de tegenpartij, of wel naar een speler van de eigen partij, die zich bevindt binnen de tweemeterlijn.

K. Voor den doelman, een worp niet op de voorgeschreven wijze te nemen; de viermeterlijn te overschrijden of den bal buiten die lijn aan te raken.

De straf voor een gewone fout is een vrije worp te nemen door den dichstbijliggenden tegenstander vanaf de plaats, waar de overtreding werd begaan.

Zware fouten zijn:

A. Het opspringen van den bodem om den bal te spelen of om een tegenstander aan te vallen.

B. Een tegenstander vasthouden, onderduwen, terugtrekken, in de vrije beweging zijner ledematen belemmeren, of hem op eenigerlei wijze hinderen, tenzij hij den bal „houdt”; zwemmen op de schouders, rug of beenen van een tegenstander wordt als hinderen beschouwd. Het zwemmen met den bal of het aanraken van den bal wordt niet beschouwd als „houden”, maar hem opnemen, dragen, onder waterduwen, of, hem aanrakend, de hand er onder of er boven plaatsen is wel „houden”. Opzwemmen met den bal tot in het doel is geoorloofd.

C. Den bal tegelijkertijd met beide handen aanraken.

D. Zich van een tegenstander afzetten, hem trappen, of dreigende bewegingen maken, welke deze bedoeling verraden.

E. Voor den doelverdediger, of voor eiken anderen speler de doelpalen vast te houden of te verplaatsen teneinde een doelpunt te voorkomen.

De straf voor een zware fout is een vrije worp, evenals bij een gewone fout, maar als de scheidsrechter van meening is, dat de overtreding met opzet geschiedde moet hij den overtreder het water uitsturen.

Sluiten