Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 38 en 39 geven de richting van de kracht, die evenwicht maakt met 2 evenwijdige krachten.

Voorbeeld:

Twee krachten, Kx = 28 kg en K2 = 36 kg, werken onder een hoek van 70°. Bepaal de evenwichtmakende kracht.

Oplossing:

E = 5,2 X 10 kg = 52 kg.

K,

1 cm = 50 kg.

Fig. 40.

OPGAVEN.

1. Aan een touw hangen 2 voorwerpen, respectievelijk 8 en 5 kg zwaar. Hoe groot is de kracht in het touw, die er evenwicht mee maakt?

2. Twee jongens trekken ieder aan een eind van een touw, respectievelijk met krachten van 18 en 20 kg. Welke kracht moet hierbij komen, om evenwicht te maken?

3. Op een horizontale wipplank zitten drie kinderen van 45, 40 en 27 kg. Bepaal de evenwicht-makende kracht in het steunpunt.

4. Twee krachten, elk 70 kg, werken onder een hoek van 120°. Bepaal richting en grootte van de evenwichtmakende kracht.

5. Twee evenwijdige, tegengesteld-gerichte krachten, Kx = 40 kg en K2 = 25 kg, werken op 1,50 m van elkaar. Bepaal plaats, richting en grootte van de evenwicht-makende kracht.

6. Een lamp, zwaar 8 kg, hangt aan een staaldraad boven

Sluiten