Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn wezen. „Of ik ook een hart heb! Hart genoeg, om een astranten schipper van mijn lijf te houwen!"

„In elk geval, je bent een woest wijf. Maar ik riskeer het; laat het schip er maar op draaien."

„Als je belooft, Bart Zwartewaal je handen thuis te houwen. Geen avonturen."

„Ga zitten," zegt hij.... „ik weet, waar of ik sta. Laan we elkaar verstaan. Ik ben alleenig maar bang voor je geweest."

„En nou ?"

„Nou wil ik in je oogen kijken."

„Wat?"

„Ik wil je wegen en meten. Weten hoe je van binnen bestaat. Het betreft m'n schip."

„Wat wil je?"

„Ik wil je hart hooren kloppen in je borst, harde donderhond van een kroonprinces!"

„Man, je bent zat."

„Nou goed, zat dan. Maar waarom ga je dan m'n schip niet af?"

Ja..» waarom gaat ze dan z'n schuit niet uit ? Ze zou nou wel weg willen, want zoo dat gesprek tusschen hen in gevallen is, geeft dat geen pas. Neen, heel niet. Dat is ongewoonheid, 't is avontuur, 't is rauw en buizig en scliipperachtig. Schippersvolk kan zoo zijn, rauw en ongegeneerd tegenover vrouwen. Maar zij is geen varensmeid, maar een burgerjuffrouw, zij is zoogezegd bazin van een floreerende werf, zij hoeft heel geen wilde praatjes aan te hooren van vreemd manvolk.... dat geeft zoo geen pas. Maar als ze nu weg gaat? Dan blijft dat gesprek onaf, dan blijft daar wat onbestemds achter. Een man, een kloeke vent, een die wekenlang in haar naaste omgeving zal moeten blijven en die buizige dingen tegen haar gezegd heeft, omdat er spraak kwam van haar hart, het hart van een werksch mensch, het hart dat verborgen ligt onder roestige kleer. Goed verborgen, opdat niemand het ooit naderen zou met teerheid. Ze denkt nu; ik heb dien schipper nog niet genoeg geantwoord op zijn astrante woorden. En hoe is zulks mogelijk.... zij,

Sluiten