Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

postuur. Daar stonden aan den wallekant vier mannemenschen eendrachtig haar toe te zwaaien: Marius, eendrachtig met den teekenaar, met Gijs Ponsioen hun meester-schrijnwerker en dan nog iemand. Ze meende te zien, dat het de reiziger van de kopergieterij was; zeker was ze daar niet van. 't Schauw weinig, of Marius had haar op dees astrante wijze laten uitgelei doen door heel het personeel. De schipper zag haar ontdaanheid. „Je wou er toch geen geheim van maken?" vroeg hij lochtig.

„Geheim van maken? Man, wat haal jij je in je kop. Heel de wereld mag weten, wat ik openlijk besteek."

„Maar je schrok...."

„Omdat daar — 'k heb m'n hielen nog niet gelicht — onder commando van Marius, in werkentijd gelummeld wordt door personeel. Als Gijs Ponsioen niet en werkt, wat zullen dan al de timmerlui besteken? En als Marius weer z'n dag heeft van in de IJssel te kijken, voor hoeveel uur worden we dan wel bestolen? En als de teekenaar aan den wallekant staat, wanneer moet dan de begrooting en 't bestek uitgeschreven worden voor de reparatie aan de Estafette IV ? In overuren.... maar overuren kosten zwaar geld."

„Dan zal de „IJssel" moeten bijdraaien, juffrouw Cato, of een sloep voor je uitzetten" spotte de schipper „wil ik voor je aan de noodrem trekken ? Zoo heet dat toch aan den wal ?"

„Sarren versta jij goed. Breng me maar gauw bij het beeld en daarmee uit."

„Maar dan begint het feest pas. Een mensch is maar eenmaal uit. En begapt word je vandaag tóch, dat is al uitgemaakt."

Ze liet hem alleen staan en ging de IJssel liever eens goed bekijken. De Reederij was een klant. En wanneer werd het doktij voor het goedgebouwde schip, dat nu onder haar voeten stampte, op Gouderak aan? Haar werf was, bij de krom van IJsseloord, nu gansch aan haar oogen onttrokken, maar daarmede was de bedrijvigheid daar gunter nog niet uit haar denken weg; heel niet. Nabij het voetveer van de

Sluiten