Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet aanhooren; vrouwentranen maakten hem altijd week en beroerd. Maar Cato duwde haar weg. Ze perste haar lippen op elkaar, nam weer het beeld op, nadat ze eerst haar beugeltasch ongegeneerd om den hals van de kroonprinces had geworpen en sjorde het weg.

Wat was dat zwaar. En wat zijn stoeptreden hoog en lastig, als men zoo op ongemakkelijke wijs een beeld draagt voor zich uit. De deur viel achter hen dicht en daar stonden ze, met hun vreemde bagage, op de deftige gracht. Ze zette haar vracht neer en keek eens om. Daar achter de deur werd vast en zeker nog verder gejankt. Maar daar had ze vierkant maling aan. Wat een onbeschoft volk! Die Notaris mocht weten.... als ze ooit een dispacheur te recommandeeren had.... zeker en vast zou ze hèm niet vernoemen. Wat een behandeling, 't Leek wel, of ze om te stelen waren gekomen.

En dan die onnoozele Bart Zwartewaal. Geen vin had die verroerd, bekant geen woord tot haar bijstand gesproken. En ten leste liet hij haar nog sjouwen met die zware vracht ook. Maar niet langer. Heel zeker niet, want dat was geen vrouwenwerk. En ze wilde juist beginnen met uit te varen tegen haar metgezel, toen deze het voorkwam. Hij nam de kroonprinces onder zijn machtigen arm en zeide: «Ga jij maar mee Cato en maak je zoo kwaad niet."

Ze was toen echt te verbaasd, om een rap en goed antwoord te verzinnen. Geluk, om 't eindelijk bezit van dat beeldje, nabruising van wildheid om die ontaarde ervaring daar achter die deur, klotsten tegen elkaar aan. En ten leste die vent, die Zwartewaal, zoo bedaard en zoo sarrend. Ze verloor dat spul weer van hem; hij was wéér de meerdere. Neen, ze moest nu niet kijven. Maar hem gevoelen laten, fel en snijdend, dat ze hem vandaag al meer dan genoeg gezien had. En dat er een eind aan die comedie paste te komen.

Hij liep stoer door; zij, onbeladen, had nog moeite zijn wiegewagende maar lange stappen bij te houden. En er viel geen woord meer, tot ze tegenover elkaar in een café

Sluiten