Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar heeft Marius toch geen hoogte van. Met dien schipper gaat ze naar de Stad — en dat was nog nooit eerder vertoond — ze komen terug met een misselijk stuk hout, dat voor een beeld van hooge waarde door moet gaan, je merkt niks aan hem, niks aan haar.... en vandaag laat ze hem vertrekken, zonder daarbij te zijn. En dat doet Cato, die anders overal bij is.... ook waar ze beter niet bij kon zijn met haar scherpe tong. Hebben ze samen woorden gehad, op dien toer? Het zou hem alvast niet verwonderen; met Cato ben je zoo direct een eind op streek. Maar dan hoort of merkt hij er toch doorgaans wat van, ze wil haar buiswater nog al lichtelijk kwijt. Niets heeft hij gemerkt en daarom, er is zeker en vast geen geduvel geweest. Maar ze zal genoeg hebben gekregen van zijn gezelschap en dat verstaat hij. Want het is een duistere, hoovaardige vent, waar weinig aanspraak aan zit. Hij had er trouwens al genoeg van, toen de schuit nog geen week op hun helling lag. En met zoo'n bokkig eind mensch gaat Cato naar de Stad. Laat dat een andere schipper eens vragen, die wèl particulier in den omgang is. Dan zou ze vragen, of er soms een paar klinknagels in den vent z'n kop vastgegloeid moesten worden.

Hij heeft er alzoo geen hoogte van. Van Cato heeft hij trouwens nooit veel hoogte gehad; daartoe besluit ze te schielijk en te grillig. Maar ze is goed voor de werf, dat wel. Hij heeft Bart Zwartewaal uitgelei gedaan, op passende wijs en ook die rijzige stijfkop vroeg niet, waar Cato bleef. Hij is weggevaren zoo hij gekomen is: zonder aanspraak voor vreemden.

En Cato gelooft het wel. Ze weet, dat hij nu uit haar gezichtsveld verdwijnt en alleenlijk achterlaat, het beeldje van hout, dat ze morgen plaatsen zal. Morgen is het voetstuk voldoende hard daartoe. Van haar kantoor uit, kan ze hem niet zien vertrekken; wel zien langskomen als hij door de krom gevaren is. Maar dan zijn gestalten op een

Sluiten