Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg te varen met dat teer geschenk: de kennis der hunkering in een oudwordende vrouw.

Toch is ze niet verontrust, dat hij haar bij anderen schenden zal, om wat zij tot hem gezegd heeft. Haar woorden zijn wèl bij hem veilig; hij zal haar niet tot slet maken. En toch blijft de grieving knagen, dat zij aan den ander heeft geopenbaard, wat tot vóór dien avond, van niemand geweten was.

Zal zoo ook de vrouw geweest zijn, wier stille afbeeldsel hier op een paal van beton staat? Zijn daarom haar lippen zoo dun en die oogen zoo starend? Ze weet niet waar haar klipperschipper thans is; ook niet waar de vrouw is, wier beeldsel daar voor haar staat.

Maar ineens, met een pijn, beseft ze dat die vrouw — hoè jong ze ten tijde ook was — nu oud moet zijn en verdord; misschien wel dood. Ja, bijna zeker is die vrouw dood; terwijl haar beeld van jeugd nog voortleeft op een kleine werf. En alles wat zij eens gewild heeft zonder er van te gewagen — want de Kroonprinces had lippen die dulden en zwijgen verstonden — en alles wat er gewoeld heeft onder die statiekroon, het is voorbij in dit leven, maar bewaard in het herinneringsbeeld van hout. In het leven is 't verloren gegaan; eerst door den tijd die alle groene blad verdort, dan door den dood. Zoo zal ook haar bestaan wegebben en herinnering worden. Wat is dan haar deel geweest, toen ze de kroon nog droeg? De kroon van een bestaan, dat nog niet tot dorre ouderdom ingeschrompeld was?....

Dan zal haar deel zijn, zooveel als er ligt in een leege hand. Onmachtig zal zij zijn, blij te toeven bij herinnering, want die herinnering zal alleen een ketting zijn van zakelijke ervaringen. Hoeveel schepen zal ze hebben gekalefaterd, als ze eigens krom leunt op haar stok, haar stok die ze nu nog maar draagt om werkvolk tot het werk aan te porren, als een slavenjager zijn karwats? Vele schepen zal ze hebben gekalefaterd, in de lange jaren dat haar eigen karkas wrak wordt en onflikbaar: rijp voor

Sluiten