Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zulk werk, menschen," zei deze vurig: „Zulk werk is me heel wat aangenamer dan al dat gepruts aan bakken en kasten en beurtschuitjes."

„Dat versta ik," vond Marius: „maar 't ligt niet opgeschept."

„Zoeken, onder de kustvaarders en bij de houtbootjes van Dordt en Zaandam."

„Zijn die niet overmaat?"

„Velen niet. Maar kan de werf niet wat breeder worden? Of een langshelling er bij ?"

Toen kwam Cato daar tusschen. „Geen dolle dingen," zei ze en daarmee moest het gesprek uit zijn geweest. Maar die teekenaar had nog te weinig weet van 't finale karakter dezer vrouw. En hij vroeg nogmaals, of er nog grond als eigendom naast de werf lag.

„Man, bèmoei je daar niet mee. Teeken jij maar en schrijf alles op. Wij zoeken het werk en maken den dienst uit." Het klonk giftig en wel zóó, dat er geen antwoord meer kwam. Maar toch bleef naklank van dat korte gesprek hangen bij deze vrouw. Want de vent had eensdeels gelijk. Ze zaten hier nauw. Ter rechterzijde was uitweg niet meer mogelijk, want daar waren ze vastgebouwd aan het kuipersbedrijf van de Laat, maar op Gouderak aan lag bouwland, 't Was niet van hen, maar wellicht kon 't worden gekocht. Opstallen stonden er niet; de mogelijkheid om er fundeeringen te graven en wagens bij te leggen was aanwezig. Ook vroeger heeft ze daaraan gedacht, maar toen leefde Vader nog en die was nooit voorstander geweest van een grootbedrijf. Er is te weinig geschoold werkvolk rond Gouda en wat je uit den vreemde haalt, brengt kwaaien geest over de anderen. Daarom ook zegde Marius dien avond: „Dat heb je goed gezegd Cato. Hij mag dan goed zijn voor het werk waarvoor hij staat, wij beslissen hier."

— Jij vooral — wou ze schamper zeggen, maar omdat hij haar gedraging prees, wou ze hem niet tergen. Ook al, omdat ze van haar broer den laatsten tijd iets heeft leeren waardeeren, waar ze vroeger nooit acht op had geslagen.

Sluiten