Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er uit zijn handen ooit groeien gaat op haar werf. Wat zijn mannen toch different. Deze kouwe visch of die vorige.... dat is geen vergelijk. En 't hindert haar, dat hij geen belangsteling toont voor haar plannen, die toch ook voor zijn toekomst hier heteekenis moeten hebben.

„Wat denk je van een langswerf voor twaalfhonderd?"

„Daarvoor is hier geen plaats, juffrouw."

„Maar zou er opdrachten voor te vinden zijn?'''

„De oorlog, juffrouw.... daar heb ik geen weet van. 'tKan morgen afgeloopen zijn en over tachtig jaar."

„Wat heeft de oorlog daarmee te maken?"

„Alles."

„Omdat de zee is afgesloten?"

„Omdat de zee is afgesloten."

„Hoelang kan dat duren?"

„Weet ik dat."

„Zou je me 't niet eens helderder zeggen?"

„O, maar ik dacht dat U me zóó wel begreep. U bent toch sedert jaren in het vak."

„Geboren en getogen. Maar altijd in de reparatie voor de binnenvaart."

„Dat zou ik dan maar blijven doen," zegt hij droog en buigt zich weer over zijn planimeter. Ook die vliegt de laan uit — overweegt Cato en laat hem alleen. Wat een hufter. En dat komt nog wel uit de stad. Was dat nu niet precies, of ze bij een ambtenaar was geweest, om iets te weten te komen? Geen onvertogen woord had hij gezegd en toch zag hij kans, haar wild te maken. Wat zijn mannen toch different.

Maar ze gaf het niet op. Ze zou en zou dien vent uit zijn tent lokken. Zooveel kijk op teekenwerk heeft ze wel, om te kunnen zien, dat deze zijn stiel in de perfectie verstaat. Maar leefde er in dien man dan geen eerzucht, om hooger op te komen, om uit het gepruts aan oude aken en kasten en bakken en petiterige sleepertjes, weer over te springen naar den nieuwbouw van mooie sterke zeebooten? Of zou hem tóch alles eender zijn, als hij maar een vel

Sluiten