Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet alleen, dat het je tien jaar geleê niet passeerde, Cato. En ik wil niet oproeien tegen de natuur, dat helpt toch niet. Dacht jij, Cato, dat je tien jaar geleê zou hebben toegelaten, dat een teekenaar je zoende? En over tien jaar zal je 't eigens niet meer vatten kunnen. Maar dan zit die vreemde in ons nest en haal hem er dan maar ooit weer uit, ik geef het je te doen. Waarom ben je zoo onberaden, Cato."

„Ik weet wat ik wil."

„Mocht ik daar dan niks van vernemen, voor ik jullie betrapte ?"

Ze moppert wat, hij kan het niet verstaan. Hun gesprek vlot niet. En als ze nu niet oppast, wordt dat weer een zeurig vasthouden van een en dezelfde meening, zonder dat er besluiten vallen. Want zoo is Marius.

„Ik ga trouwen."

„Zou je 't wel doen, Cato?"

„Vast."

„Dan ga je hier dus uit."

„Maar waarom? Heb ik hier niet meegeorven?"

„De werf is van mijn, Cato. Maar 'k ben deelplichtig aan jou. Dus zal ik deelen. AI zal 't in de eerste jaren dan zwaar gaan, om onder de bank uit te blijven."

„Daarom; laten we bijeen blijven.'

„Met z'n tweeën goed! Met een derde: nooit! En als jij trouwt, dan word je huisvrouw en een huisvrouw hoort in haar huis te zijn. Je kan ook kinderen krijgen."

„Hè?"

„Je kan ook kinderen krijgen!"

„Ja dat is waar" zegt ze nadenkend. „Maar dan zien we nog wel."

„Nee' Cato, dat bekijken we op voorgrond. Moeder sjouwde niet over de werf, maar ze zorgde voor ons, voor ons eten en kleer en opvoeding."

„De tijen zijn veranderd."

„Maar de kinderen niet. Die kakken nog altijd in luiers. En daar moet een moeder voorhanden zijn, om er op-

Sluiten