Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed. Maar als je nu eens niet vrij komt van den dienst ?"

„Dat lukt wel. Als jij je er maar achter zet."

„Maar als 't niet lukt?"

„Dan nog vertrouw ik jou best onze werf toe. Alleen zal dat veel bezwaar geven met het teekenen en 't adviseeren. Maar laten we het kwaaiste toch niet verhopen." En ze bouwden verder aan hun plannen.

Cato ging inwonen bij de weduwvrouw van den hoofdonderwijzer en van daaruit werkte ze aan haar doel: bezitster te worden van een scheepswerf voor nieuwbouw. Ze ging naar den inspecteur van de Scheepvaart in Rotterdam, en die zond haar naar een ander op Waterstaat in den Haag en die weer naar een hoog personage op Oorlog en die weer naar een ander en die wéér naar een ander.... ten leste wier ze 't moei en zond ze maar in 't wilde weg een brief naar het Ministerie. Ik ga kleine vrachtvaarders bouwen, schreef ze en daar heb ik Leendert Streefkerk, m'n aanstaanden man voor noodig. Mag hij voor dat doel in civiel terug komen ?

Al de instantie's die haar voorspraak hadden toegezegd, bleken zóó machtig niet, of er kwam prompt een weigerend antwoord. Maar toen trok ze zelf naar den Minister. En nu moet men maar dom geluk hebben. Daags tevoren was er Ministerraad geweest en had de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel gewezen op het nut van kleine vrachtbooten, omdat de zee-blokkade steeds zwaarder gevoeld werd. Ze merkte er in 't gesprek met den Minister iets van, een glimp maar en direct vatte ze dat punt stevig vast. En daarop doorpraten en echt op de manier van Cato zonder los te laten, wist ze aandacht voor haar zaak bij den Minister op te roepen. Een week daarna kwam het groot verlof voor Leendert Streefkerk af; drie dagen voor hun huwelijk ging het in. Maar hij moest toch, bij geval van grooter nood, zich beschikbaar houden.

Op het Departement hadden ze natuurlijk om de stukken gevraagd; waar gingen die kleine vrachtvaarders ge-

Sluiten