Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, nou.... bedaar. Ik mag het toch zeker wel een ouwerwetschen naam achten? Als je met alle geweld dat beeld benamen wilt, waarom dan niet De Nieuwe Kroonprinces ?"

„En m'n broer dan?"

„Heeft jouw broer zich zoo netjes gedragen tegenover jou?"

,,'t Mag zijn, maar ik blijf toch liever uit zijn vaarwater."

„Maar ik heb toch zeker ook stem daarin, Cato."

„De naam geef ik, want het geld geef ik. En je weet het: de werf komt op mijn naam te staan."

„Dat is wantrouwend genoeg van je. Die notariszaken vóór een huwelijk, allemaal uitgevonden door wantrouwend rijk volk."

„Noem het, zoo je wilt, maar daar verander ik niks meer aan. En aan den naam ook niet. En wil je niet, Leendert Streefkerk dan kan je nog terug. Ik kan met een ander bekwaam teekenaar ook een werf beheeren."

„En ons huwelijk, Cato, vergeet je ons huwelijk ?"

„Dat vergeet ik niet. Maar ik heb geen tijd meer, ik ben met de inventarislijst van Het Boegbeeld bezig. Ik heb de zuiggasmotor van de hand gedaan en koop morgen Dordtsche electromotoren. Gebeurt daar ooit wat mee, dan hebben we de fabriek zoogezegd naast de deur."

„Goed bekeken."

„En 'k heb een draaibank in koop. Neem de uiterste werkmaten even door, om te kijken, of we aan de goede maat zijn."

„Mensch, denk je dan alleen maar aan staal?"

„Ik ben geen jong meisje meer, Leendert."

„Maar ik geen ouwen vent."

„Wees niet kinderachtig, laten we die bijkomstigheden uitstellen, tot Het Boegbeeld in bedrijf is."

„Je bent een zonderlinge vrouw."

„Dat hebben er meer gezegd. Maar geen van al die dat zegden, hebben een haar aan mij weten te veranderen. Ik ben gelijk ik ben. En je kunt nóg terug, Leendert.'

Sluiten