Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen zóó laag van natuur kunnen zijn, dat vait me van ze af. En is dat geen werkelijkheid, of is 't soms niet gespeeld naar de manier, die onder dat volk rondgaat.... dan vraag ik me af: wat laten we ons hier getwee dan opgrijpen met leugens."

„Later, Cato, als je meer naar het theater bent geweest, zal je dat beter begrijpen."

„Maar zoolang ze mooi aangekleede vuiligheid in de comedie spelen dan zien ze Cato niet. Wat heb ik aan ervaring in het kwaaie?"

„Om jezelven er tegen te beschutten."

„Of om er, zonder dat je er goed weet van hebt, door aangestoken te worden. Want wat den grooten heeren en wat de deftigheid past.... zou dat zeker niet goed zijn voor ons? Zoo gaan jullie praten, ik begrijp dat best. Maar smerigheid is smerigheid."

Hij mompelde nog wat terug, maar zijn hand zocht hij niet meer in de hare te leggen. Zijn Cato leek hem dien avond zooveel als een statig schip, een welgebouwd schip, maar zonder versierselen opgetrokken. Neen, ze was zoo toeschietelijk en zoo vrouwelijk onderworpen niet meer, als op dien wilden avond, toen haar broer hen betrapte en ze zoo kloek zijn partij koos. Toen had hij waarlijk gedacht een willig diertje in zijn nest te halen, maar dat viel tegen. Er kan dan ook geen lentebloesem bloeien in den herfst.... dacht hij bitter, tersluiks opziende naar het ernstige silhouet van die rijke veertigjarige vrouw naast hem. Maar terwijl hij naar haar keek, vingen haar oogen de zijne. Strenge afkeurende oogen. 't Lijkt wel, dacht hij kleinmoedig, dat ik met een cipier ga trouwen. Maar allé.... dat zal wel veranderen, als de vrouw schuilend onder dat harde wezen eerst maar eens wakker wordt in het huwelijksbed.

Zijn plan was eigenlijk geweest, na afloop met haar nog naar een genoegelijk café te gaan — misschien werd ze daar wat joliger dan ze de laatste dagen geweest was — maar nu ze alleen nog maar zweeg en haar lippen dun

Sluiten