Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jij doet, is het toch niet gewoon tusschen pasgetrouwden."

„Ja, Leendert, ik zal het probeeren. Maar kan jij niet verstaan, dat de zorg voor de werf altijd in m'n gedachte is?"

„Laat dat dan wat minder zwaar wegen, Cato."

„Jij praat goed, jij riskeert niks.... ik m'n heele vermogen. Soms ben ik bang."

„Jij denkt te veel aan je broer en z'n spoken."

„Ja, ik denk de laatste dagen veel op Marius. Hij is toch ook m'n broer."

„Maar ik ben je man; dat is meer."

„Met Marius heb ik achttien jaren samengewerkt op de Kroonprinces. En getrouwd ben ik nog pas een dag."

„Als je er maar geen achttien jaar voor noodig hebt, om ook eens aan mij te gaan denken!" zegt hij bitter. Maar ze schuift wat naar hem toe en legt — hartelijk voor haar doen — haar hand op zijn arm.

„Vannacht zullen we samen zijn," zegt ze met een trilling in haar stem. „Ik zal een goeie vrouw voor je zijn, Leendert. Maar je moet je willen indenken, dat ik een vrouw van over de veertig ben.... geen jong meidje meer. En dat deze dingen zoo vreemd voor me zijn."

„Dank je, Cato."

„Dank me maar niet; ik heb gisteravond niet goed gedaan. Maar ik was zoo bang!"

„Waarvoor was je dan bang?"

„Daar weet ik geen woorden voor, Leendert."

„Ik versta je niet, Cato."

„Ik denk, dat ik juist daarom bang ben."

„Heb je liever, dat we eerst in ons eigen huis zijn?"

„Ja, ja. Graag Leendert. Liever dan hier in 't hötel."

„Maar ze verwachten ons pas morgenavond en dan nog pas op z'n vroegst."

„Telefoneer dan en zeg ze, dat we vanavond komen."

„En wat doen we vandaag?"

„Ik wou maar 't liefste alleen zijn."

„Daar heb je 't weer, Cato. Welke pasgetrouwde vrouw wil nu niet het liefst bij haar eigen man zijn?"

Sluiten