Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevoorraden, de materialen kunnen zoo schaarsch niet zijn, of je weet ze naar de werf te sleepen.... maar een luiermand inrichten, dat is Grieksch voor je. Prettig voor me, om aan te hooren."

„Maar Cato, moeder kan het toch niet verhelpen."

„Nee. En jij kan 't ook niet verhelpen. Jouw schuld is het heelemaal niet. Ik heb jou om dat kind gesmeekt, waar Leendert. Bij wijze van afwisseling tusschen den nieuwbouw."

Hij liep dan 't huis maar weer uit. Dat was geen aanhooren zoo. Een vrouw, die zichzelf en haar omgeving zit te sarren en te verzuren, om het kind, dat ze onder haar hart draagt. Beestig vond hij het. En op zulke oogenblikken kon hij een wilden hekel krijgen aan het eenzame vrouwmensch, dat hij ten trouw gevoerd had en dat even eenzaam gebleven was. Dat naast hem sliep en verre, verre uit zijn genegenheid leefde. Maar hij verduurde haar nijdasserige kuren dezer maanden, want hij had wel eens gehoord — en dat werd in z'n ouderhuis beaamd — dat vrouwen in zulke omstandigheden levend, vaak de zonderlingste dingen konden zeggen en doen, gansch buiten haar eigenlijken wil om. Goed, maar alles wat Cato er uit dierf gooien, het klonk zóó rauw en onmenschelijk, maar lag tevens zoo heelemaal in de lijn van haar manskerelnatuur.... hij had er bang voor, dat die gedachten ook later nooit slijten zouden. En dan werd dat een zuur levensvooruitzicht voor hen. Want haar bitterheid en afkeer verborg ze nog maar zóó weinig, dat het volk op de werf er lucht van kreeg, dat er wat wrong tusschen man en vrouw. Aldus, haar eigen nest bevuilend, bracht ze haar dagen door.

„Cato," vroeg hij haar in 't begin van de negende maand: „Cato, het wordt nu zóó kort. Het personeel op de werf heeft er nog geen weet van, zou je nu niet een tijdje van het werk weg blijven. Alles zal tóch goed gaan en je kunt van ons huis uit je toch ook met de boeken bezig houden."

„Tot het laatste, versta je, tot ze me schielijk wegdragen moeten naar Rotterdam, blijf ik waar ik behoor: op mijn

Sluiten