Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI

ALLEEN

Cato ligt starrelings achterover en ze denkt niet. Haar hoofd is zóó leeg van gedachten, alsof ze zelf het kind ware, dat ze heeft gebaard. Alleen verankert zich soms vluchtig de milde gedachte, dat ze nu gelukkig is, want die pijn, die barre benauwenis is heen. Ze weet zelfs niet van de Patrick Mervill, ze weet van haar bestaan niet, van haar kind niet; ze weet niets. De zuster, die behoedzaam door de kamer loopt, is ook niets. Die is te wit, ze ziet haar niet. Ja, ze staart in een witte gelukzaligheid zonder aanduiding hoegenaamd. Of dat lang duurt weet ze niet; ze weet niets.

Wordt haar iets gevraagd, zoo antwoordt ze niet. Waartoe antwoorden? Ze weet niets. De zuster zegt, dat ze nu heel gauw haar gewasschen kindje mag zien; ze weet dat niet. Misschien begrijpt ze het niet? Is dit Cato wel uit Stolwijkersluis, een heldere koopvrouw van de Kroonprinces, en die zoowaar een nieuwe werf gesticht heeft, Het Boegbeeld geheeten, en gelegen aan de Ruigenhil?... Ze weet niet of ze het is, of ze leeft of niet leeft.... ze weet niets.

Daar knaagt haar nog een kleine pijn; dankbaar is ze om die pijn, want deze is geringer dan de strotaf nijpende gruwelen van toen. Ze glimlacht bitter om die kleine pijn. En ze verlegt zich wat, misschien mindert dat nog wel die pijn, opdat ze weer gevoelloos neersuizelen kan in die blanke tevredenheid van niets, niets, niets....

Hoort ze een klok luiden in haar leeg hoofd? Wil daar

Sluiten