Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweegt en snuift. En het niest. Wat is dat vreemd, dat dit kind van haar is. Wat is het jong, in betrekking tot haar jaren. Lang kan ze daar niet aan denken. Alle denken valt telkens om, nadat ze was aangevangen. En even nadat de zuster het klam-warme wezentje weer heeft weggenomen uit haar arm, is ze vergeten hoe het was.

Ze vergeet ook haar werf. Flarden van herinnering van heel vroeger, stappen voor haar langs. Ze heeft eens een kindje gevonden, dat kon al wat loopen. Ze ging toen nog zelf op school, bij meester Dooyewaard. Ze heeft er een uur alleen mee gespeeld in een griend en toen eerst kwam ze het afgeven. Wat waren ze daar in dat huis ongerust geweest. Zoo; maar na dat uur hadden ze het kindje daar toch terug.

Het zal nu wel ongeveer avond zijn, tijd om te slapen, mogelijkheid om te slapen. Maar 't is nog zoo licht. Ze krijgt wat lauwe melk te drinken en sluimert in.

£

Daar is een nieuwe dag aangevangen, na een nacht van telkens opwaken. Ze heeft gehoest en hoesten doet pijn. Toch is die nacht snel weggegleden; weinig heugenis heeft ze ervan. Ze tilt haar arm op en bevoelt haar warme voorhoofd. Ach, ineens bemerkt ze, er is weer beweging in dien verbrijzelden arm. En ze heft zich iets. 't Doet pijn, maar het gaat toch, ze heft zich. En ook haar beenen leven.

Zou ze kunnen opstaan — denkt ze. Opstaan en hier weggaan uit deze stilte. Waarheen? Naar haar werf natuurlijk en 't verlaten commando weer opnemen. Er is niemand in haar kamer, ze kon het wagen. Maar haar overvalt plotseling na het krachtsverbruik van daarnet een moeheid ongekend, doorspikkeld met scherpe naaldsteken, zoo iets alsof haar been slaapt. Maar nu priemt en trilt dat hinderlijke gevoel overal, zelfs door haar hoofd. Neen, ze kan hier nog niet weg, al is de wil er.

Hoelang heeft de zuster ook weer gezegd, dat dit kan

Sluiten