Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid is in haar bestaan, waarop ze niet gerekend heeft. Wacht maar!

Daar is de zuster, dragende haar kind. „Als de familie straks komt," zegt ze: „zal 't moeten worden aangegeven. Mooie namen hebt U voor uw kindje, mevrouw."

„Mooie namen?"

„U hebt ze me toch verteld!"

„O," zegt ze gelaten, maar ze weet het niet. En nu ineens wordt het haar bewust, dat er te voren niets bepaald is over namen. En nu weet die zuster het wel? Wanneer heeft ze dat dan gehoord ? Zeker, toen ze in die versmorende benauwenissen krampte. Wat is ze dan loslippig geweest en, wie-weet hoe kinderachtig. Hoe komt ze dat aan de weet?

„Wanneer heb ik U dat dan verteld?"

„Direct na de geboorte, mevrouw. Ik vroeg het U."

„Ik was toch wakker?"

„Ja, helder wakker, maar wel erg uitgeput. Ik kon U bijna niet verstaan."

„Hebt U me dan wel goed verstaan?"

„Ik denk het wel: Anne Christine zei U immers?"

„Ja ja.... Anne Christine heb ik gezegd. Nou, dan hebt U me goed verstaan, zuster. Anne Christine...."

„Maar nu zullen we 't kindje even aanleggen, mevrouw, 't Zal nog wel niets worden, maar U moet er toch verder aan gewennen."

„Wat?"

„De kleine Anne Christine moet toch drinken leeren. Wij beginnen hier altijd vroeg; al is 't eerst nog maar wat zoeken en anders niets."

„Weet U zeker, zuster, dat dat gaat? Dat dat wel moet?"

„Als het gaat, ja, dan moet het. Want het is toch altijd het beste voor de kleine meid."

„O, maar gaat het altijd? Ik ben zoo oud. Laat U die dokter nog eens komen."

Sluiten