Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat wil U dan?"

„Ik wil niets van dien aard."

„Waarom hebt U 't dan zitten becijferen?"

„Och; vakbelangstelling. Als je zooiets ziet passeeren bU je naaste gebuur, gaat er wel eens iets in je om. En van de ervaring van anderen, doe je leering. Daarom wou ik zijn positie eens voor mezelf berekenen." Maar ze dacht er bij: mijn tong zal je niet schrapen, leep heer.... Want ze hunkerde naar die twee dokken daarginder, ze dacht er aan met groote begeerigheid.

En ze stond op. Dat was ten teeken, dat het gesprek uit moest zijn. Maar dat heeft Ir. Durgerdam zeker niet opgemerkt, want hij bleef rustig aan de tafel zitten en bekeek zijn lange witte handen. Die handen waren blanker en beter verzorgd dan de hare; maar zij vatte dan ook alles beet op haar werf, als van ouds. Ze kwam uitdagend op die glanzend gepolitoerde tafel zitten. Is dat nu behoorlijk, Cato, een vrouw die haar stoel tijdens een zakengesprek verlaat en op de tafel kruipt? Dat laat haar koud; ze kijkt aldus neer op dien onderhandelaar met de nerveusbewegende vingers.

„Nu moet U," vraagt ze nog: „me eens één ding vertellen. Waarom vormen de crediteuren geen consortium om 't bedrijf zélf voort te zetten?"

„En wie moet dat leiden?"

„Pieter Bon, wie anders?"

„Ze lusten hem niet meer. Maar stelt U zich dat eens voor. Alle energie is er uit. 't Is, of hij met een houten hamer een tik heeft gehad. Hij ziet alleen nog maar verwarring."

„Hij is ook groot geworden in normale tijden. Pieter Bon moet er dus uit."

„Natuurlijk."

„Maar er zijn toch anderen voor dat beheer. Kunt U 't zelf niet."

„Ik? Geef mij liever een planimeter of rekenlat in m'n hand dan een grootboek."

Sluiten