Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIII

EEN MOEDER MET HAAR KIND

Ergens, waar weel niemand precies, roeit een vrouw tegen het ongunstig getij op. Een vrouw, die te gezeggen heeft gehad over twee werven, waar negen honderd man werkvolk den kost verwierven, verkoopt draadnagels en schroefbouten aan aannemers en winkeliers. Of, want er komen ook andere berichten, ze leurt met messen en vorken langs de huizen. Ook werd gezegd, dat ze naar Antwerpen is vertrokken, alwaar ze een kantoorpand bedient en schoon houdt. Maar dat zal toch niet waar zijn.... de machtige Cato Lafeber met dweil en bezem. Er wordt zooveel gepraat. Doch niemand acht zich geroepen, wat meer te doen dan te praten en zijn vlerk eens uit te steken ter hulpe.

Zou ze ook hulp hebben aanvaard? Je weet dat bij een vrouw van haar samenstelling, toch ook niet zeker. En zoek maar eens zoo'n zwerveling tusschen landen en steden....

Maar dat moet toch zoo moeilijk niet zijn. Zou Cato niet altijd te vinden zijn, ergens langs den waterkant, alwaar ze uitzicht heeft op de schipperij? Neen, zeggen anderen, want ze zal zich verbergen voor hen die haar kennen, wijl ze zich schaamt. Wordt maar eens wijs uit al die praat. En dat hoeft ook niet, wat gaat het den praters eigenlijk aan? Dat schijnen ze ook zelf wel te vatten op 't eind, want met het voorbijgaan der maanden slijt dat praten af. Er is een steen met geweld in 't water neergeslagen en in wijder wordende golvingen zetten de kringen zich voort, tot het

Sluiten