Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel van ons kind, Cato. Soms denk ik, even veel als van m'n eigen kinderen op het slagveld. Zoo veel."

„Vraag het nooit meer, Henkie. Ik mag het werkelijk niet doen. Ik zou nooit meer willen getrouwd zijn."

„Maar ik ben anders dan de anderen. Ik zal heel goed voor je zijn."

„Neen Henkie, neen. Maar hou' er over op, ik vind het zoo ellendig, dat ik je dit moet weigeren. Ik had je zoo graag geluk bereid, Henkie."

„Hou je dan van me, Cato?"

„Je bent de beste man die 'k ooit ontmoet heb, je bent zoo goed voor mij en m'n kind. Maar ik trouw nooit meer."

„Ik heb wel gedacht, dat je me niet hebben wou. Ik met m'n hoogen rug. Je suis qu'un bossu."

Ze staat op en komt naast hem zitten. „Neen Henkie, niet om je rug. Vast en zeker niet daarom. Geloof me nu. En ook niet omdat je ouder bent. Want ik vind je zoo goed. Maar ik trouw ook met geen anderen man meer." En voor 't eerst in haar leven koestert Cato Lafeber een man. Ze streelt hem door zijn vuil haar en legt haar arm zacht om zijn hals. Het nietige manneke wordt er nog kleiner van, Henkie vecht met zijn tranen.

„Gekke kerel," zegt ze.... „grien er toch niet om, wat moeten twee sloopschepen als wij zijn nog gaan trouwen. Laten we goede vrienden blijven.'

„Maar je bent niet oud, ik vind je zoo mooi."

„Ga nu maar slapen, Henkie" zegt ze „over honderd jaar wonen we alletwee in een heel klein huis ergens onder de grond weet je. 't Is de moeite niet meer waard voor ons tweeën. Maar als ik je vroeger had gekend...."

„Vroeger was jij veel te deftig voor een knecht. Maar nu zijn we naar elkaar toegewaaid."

„En later waaien we weer uit elkaar."

„O God.... ga je weg Cato? En neem je Anne Christine mee ?"

„Nog lang niet. De eerste jaren nog niet. Wees maar

Sluiten